Geen aapje maar een worm met een nieuw hoofd

Het is weer eens wat anders dan dat aapje dat een nieuw hoofd krijgt, een worm met een nieuwe kop. Sommige platwormen zijn meesters in de regeneratie. Daarbij (b)lijken ze ook hun geheugen te kunnen regenereren.  Mensen zijn daar jaloers op en willen weten hoe die beestjes dat flikken. Jochen Rink van het Max Planck-instituut van moleculaire celbiologie en genetica hebben geprobeerd dat te achterhalen. Niet alle platwormen hebben hetzelfde regeneratietalent. De onderzoekers ontdekten een gennetwerk, verantwoordelijk voor het weer aangroeien van de kop, dat alle platwormen gemeenschappelijk hebben, maar de verschillende soorten hebben verschillende niveaus van de expressie van sommige genen. Door te spelen met de expressie van een enkel gen in dat netwerk (beta-catenin) in minder getalenteerde platwormen, bleek ook die soort een nieuwe kop te kunnen krijgen. Dat smaakt naar meer, maar het is de grote vraag of met wat gefiedel aan een enkel gen ook mensen in staat zijn tot zulke fenomenale regeneratieprestaties.

Bron: New Scientist</em>

Geen stamcellen in beenmerg van muizen gevonden

Onderzoekers van het medisch centrum van de Stanford-universiteit is het niet gelukt  embryoachtige stamcellen te vinden in het beenmerg van volwassen muizen. Embryostamcelonderzoek is populair vanwege het vermogen van die cellen zich tot alle typen cellen te ontwikkelen. Het probleem is alleen dat er eerst een bevruchting tot stand moet komen. Dat stuit wereldwijd op grote ethische bezwaren. De pluripotente stamcellen zijn een alternatief, maar die hebben niet de uiterste flexibiliteit die embryonale stamcellen hebben.
In 2006 ontdekten Mariusz Ratajczak en zijn medewerkers dat zich in het beenmerg van muizen en mensen heel kleine pluripotente, embryoachtige cellen zouden bevinden. Later werd dat onderzoeksresultaat steeds meer in twijfel getrokken en werd zelfs aan het bestaan van deze stamcelletjes getwijfeld.
Onderzoekers uit de vakgroep van Irving Weissman, hoogleraar pathologie aan de Stanford-universiteit, hebben geen kleine, pluripotente stamcellen kunnen vinden, ondanks verwoede pogingen de oorspronkelijke experimenten van Ratajczak te reproduceren. Weissman: “We hebben het geprobeerd door de beschreven methoden te herhalen, maar we hebben noch in het bloed noch in het beenmerg van de muizen die cellen aangetroffen”.
De onderzoekers vonden wel dat de kleine deeltjes in het beenmerg van muizen geen cellen waren, maar dode cellen met nog wat DNA. Een andere manier om cellen te identificeren is aan de hand van de sleutelmoleculen op hun oppervlak. Ook dat leverde niks op. Hoewel het oorspronkelijke artikel van Ratajczak beoordeeld was door referenten, hebben andere labs problemen gehad de resultaten te repliceren. Weissman heeft dan ook grote twijfels over het bestaan van de beenmergstamcellen.

Bron: Eurekalert

Witte bloedlichaampjes in actie ‘gekiekt’

Witte bloedlichaampjes 'gefilmd'
Onderzoekers van de universiteit van Manchester van de vakgroep ontstekingsonderzoek van Daniel Davis hebben ‘gekiekt’ hoe witte bloedlichaampjes, belangrijke strijders in ons afweersysteem, virussen en kanker bestrijden. De plaatjes laten zien hoe die cellen de organisatie van hun oppervlaktemoleculen veranderen als die geactiveerd worden door eiwitten die afkomstig zijn van door virus of kanker aangetaste cellen. Die oppervlaktemoleculen (eiwitten) zijn niet gelijkelijk verdeeld over het oppervlak van de witte bloedcel. Davis: “Het verrassende voor ons is dat de celoppervlak zo sterk verandert.” Op de gemaakte plaatjes hebben de onderzoekers ook de organisatie van de cellen bestudeerd. Die blijken zich te groeperen. Davis: “We hebben bekeken hoe deze celklonten of oppervlakte-eiwitten veranderen als de cellen in killer-cellen veranderen. Dit geeft ons meer houvast bij de ontwikkeling van medicijnen.”
Tot nu maakten de beperkingen van de lichtmicroscopie het maken van dergelijke plaatjes niet mogelijk. Davis en zijn medewerkers gebruikten een fluorescentiemicroscoop met hoge oplossing om naar de cellen in bloedmonsters te kijken en hun plaatjes te schieten.

Bron: Science Daily

Ziekte van Down de baas?

Chromosomen van een mens
Kunnen we het syndroom van Down de baas? Die ziekte, mensen die daaraan leden werden vroeger ‘mongolen’ genoemd, is terug te voeren tot een extra chromosoom, de 21 in de officiële telling. Onderzoekers rond Jun Jiang van de universiteit van Massachusetts in Worcester (VS) zijn er in geslaagd dat overbodige derde chromosoom uit te schakelen, zo schrijven ze in het wetenschapsblad  Nature. Dat betekent overigens niet dat daarmee nu een therapie is tegen deze ziekte. De experimenten zijn uitgevoerd in celculturen in petrischalen. Ze gebruikten voor de uitschakeling een natuurlijke mechanisme dat een van de twee vrouwelijke geslachtshormonen (X-X, waar mannen een X-Y-chromosomenpaar hebben) uitschakelt met behulp van het zogeheten Xist-gen. Dat gen zorgt er voor dat dat tweede X-chromosoom door eiwitten wordt ingekapseld, zodat de genen niet meer kunnen worden afgelezen.  De onderzoekers deden hun experimenten met zogeheten pluripotente stamcellen die waren gemaakt uitgaande van huidcellen van een Down-patiënt. Ze voegden het Xist-gen in een kopie van chromosoom-21 toe. Dat overbodige chromosoom werd, zoals gehoopt, vervolgens ingekapseld.
“De afgelopen jaren is er grote voortuitgang gemaakt bij ziektes die door een enkel gen worden veroorzaakt”, zei celbiologe Jeanne Lawrence van de universiteit. “Maar tot nu toe was men er nog niet in geslaagd honderden genen tegelijk uit te schakelen.” Aan de hand van de resultaten van dit onderzoek kan beter bestudeerd worden wat dat derde chromosoom in cellen teweegbrengt. De onderzoekers hopen op den duur een therapie te kunnen ontwikkelen. Daartoe zullen proeven met muizen worden uitgevoerd. In de huidige praktijk worden vruchten die bij prenataal onderzoek het Down-syndroom blijken te hebben veelal geaborteerd.

Bron: Der Spiegel

Kunstorganellen zetten radicalen om in zuurstof en water

kunstperoxisoom
Onderzoekers van de universiteit van het Zwitserse Bazel hebben kunstmatige organellen gemaakt die giftige zuurstofverbindingen (in dit geval zuurstofradicalen) kunnen afbreken. Organellen zijn in een ‘normale’ (eukaryotische) cel onderdeeltjes die gespecialiseerd zijn in een bepaalde taak zoals het ribosoom of de celkern. Deze ontwikkeling opent mogelijkheden geneesmiddelen direct in de cel hun heilzame werk te laten uitvoeren.
Zuurstofradicalen ontstaan als bijproduct van de stofwisseling, maar ook onder invloed van ultravioletlicht of in uitlaatgassen van auto’s. Normaal gesproken worden radicalen binnen de perken gehouden, maar als de natuurlijke regulering ‘overvraagd’ wordt en de concentratie te hoog wordt ontstaat er zogeheten oxidatieve stress, die, naar vermoed, kan leiden tot allerlei ziektes als kanker en artritis (reuma).
Bij de regulering van de radicalen spelen de peroxisomen (een organel in de cel) een belangrijke rol. Het is onderzoekers van de onderzoeksgroep van Cornelia Palivan gelukt om kunstmatige peroxisomen te maken die hetzelfde werk doen als de natuurlijke. Het kunstmatige peroxisoom is een nanocapsule (een nanometer is 1 miljoenste mm) met twee verschillende soorten enzymen, die zuurstofradicalen afbreken in zuurstof en water.
Om te bewijzen dat de kunstperoxisomen ook echt werken werd het membraan van de kunstorganel voorzien van eiwitten, die ervoor moeten zorgen dat die ook in de cel worden opgenomen waar ze hun deradicaliserende taak kunnen aanvangen. Dat lukte.

Bron: Alpha-Galileo

Rekenen op leven

Een levende EN-poort (foto univ. staat N-Carolina)

Een levende EN-poort (foto univ. staat N-Carolina)

Chemicus Alex Deiters van de universiteit van Noord-Carolina heeft van een levende cel een logische EN-poort gemaakt. Dit soort ‘poorten’ worden in de elektronica gebruikt om berekeningen uit te voeren. De cel was zo gemodificeerd dat ie op de aanwezigheid van bepaalde microRNA-moleculen (aangeduid met miRNA-21 en mi RNA-122) reageerde. Net zoals bij een ‘echte’ EN-poort, gaf de cel alleen een signaal (in de vorm van fluorescentie) als zowel miRNA-21 als miRNA-122 (EN dus) aanwezig waren.
De EN-poort was niet zo zeer gemaakt om de realisering van een DNA-computer verder te brengen, maar meer gericht op medische toepassingen. Deiters denkt dat deze techniek gebruikt kan worden voor het verbeteren van de diagnostisering en behandeling van kanker. “Het fluorescerende molecuul dat we gebruikten kan ook als merker dienen om kankercellen te detecteren of we kunnen daar ter plekke geneesmiddelen naar toe sturen.” Het onderzoek werd mede betaald door het Amerikaanse kankerinstituut.

Bron: Science Daily

Beweging werkt op onze genen

Ooit dacht men, en dat is nog niet eens zo lang geleden, dat als men maar eenmaal de basenvolgorde in het DNA kende, men een blauwdruk van het leven van het bijbehorende individu zou hebben. We moesten dan nog wel even uitzoeken wat die genen precies uitvoeren, maar dan hadden we ook het Boek des Levens.
vetsport
Niet dus. Wat we doen, eten en meemaken heeft invloed op de ‘activiteit’ van genen. Door dergelijke invloeden kunnen genen aan- of uitgezet worden. We noemen dat epigenetica.
Zo heeft fysieke activiteit effect op het epigenoom. Een onderzoek van
Charlotte Ling van de universiteit van Lund in Zweden heeft aangetoond dat beweging invloed heeft op de genen van vetcellen. Normaal zou het zijn als gekeken werd naar de invloed van sport op de genen van skeletspieren, maar Ling keek naar de cellen waar de energie wordt opgeslagen, de vetcellen, dus. Haar onderzoek laat zien dat sport effect heeft op genen die betrokken zijn bij zwaarlijvigheid en ouderdomssuiker (type 2).
23 mannen van ongeveer 35 dienden als proefkonijn. Ze waren gezond maar iets te ‘gewichtig’, want niet erg sportief. Ze stemden er in toe een half jaar drie keer per week aerobics te praktiseren. Dat lukte niet helemaal. Ze kwamen slechts tot een weekgemiddelde van 1,8. De onderzoekers volgden de effecten door het onderhuidse vet te meten. Om er zeker van te zijn dat sport de enige verandering in hun leven was, werd de proefpersonen gevraagd verder normaal met hun leven en gewoontes door te gaan.
Door het analyseren van 480 000 posities op het DNA, (overeenkomend met 7000 genen), konden ze constateren waar de veranderingen waren opgetreden (gekeken werd naar de methylering van het DNA, waardoor genen inactief worden) door het sporten. Op die manier kon een methyloom van het vetweefsel gemaakt worden, een soort ‘kaart’ van het gemethyleerde DNA. De onderzoekers hadden vooral belangstelling voor de genen die betrokken zijn bij zwaarlijvigheid en ouderdomssuiker.
Sport bleek invloed op die genen te hebben, zoals gezegd. Hoewel de onderzoekers het nog te vroeg vinden definitieve conclusies te trekken voor het hele lijf, lijkt het er volgens hen toch wel degelijk op dat lichamelijke activiteit minder kans geeft op ouderdomssuiker en zwaarlijvigheid. Dat laatste zal niet verbazen. De eerste ook niet, trouwens. Wel dat sport geen aan- en uitzet.

Connor is uitgezocht

Connor, de eerste ivf-baby uitgezocht op 'chromosoom-gezondheid' (foto: New Scientist)

Connor, de eerste ivf-baby uitgezocht op ‘chromosoom-gezondheid’ (foto: New Scientist)

Is de pas geboren Amerikaanse Connor Scheidt trendsetter? Of beter gezegd: zijn zijn ouders dat? Connor zou in Philadelphia de eerste baby zijn die geboren is via reageerbuisbevruchting, nadat eerst zijn doopceel (lees: erfgoed) was gelicht. De ouders lieten het DNA van de IVF-embryo’s navlooien op afwijkingen, zodat ze de gezondste embryo er uit konden pikken. Die methode zou het slaagpercentage van in-vitro-fertilisatie, dat nog steeds akelig laag is, kunnen verbeteren zo, schrijft het Britse populair-wetenschappelijke blad New Scientist. Zijn we op naar de ontwerpbabies uit de Brave New World van Aldous Huxley?
In de ontwikkelde landen wordt zo’n 1 tot 5% van de kinderen geboren via reageerbuisbevruchting. Een groot deel van de embryoimplantingen leidt niet tot een zwangerschap, mede, als gevolg van een afwijkend aantal chromosomen. Die afwijkingen zijn niet zeldzaam en het percentage groeit naarmate de vrouw ouder is. Bij een vrouw van 40 (Connors moeder Marybeth is 36) is driekwart van de embryo’s afwijkend, afwijkingen die niet met een microscoop zijn waar te nemen.
Niet het hele genoom van de embryo’s werd gelezen. De medische staf was vooral geïnteresseerd in de verdeling van het DNA over de chromosomen. Ze gebruikte  daarbij een nieuwe techniek NGS (next generation sequencing). Daarmee wordt het DNA in stukken verdeeld en bepaald waar elk stuk DNA op de chromosomen van afkomstig is. Dat resultaat wordt vergeleken met een, reeds opgebouwde, bibliotheek van gezond en afwijkend cel-DNA. Met deze techniek kan ook het hele DNA afgelezen worden, maar zo ver zijn de onderzoekers, dus, niet gegaan. Na Connor is er nu een tweede geval waarbij de embryo is uitgezocht op ‘normaliteit’. Het ging daarbij louter om het uitzoeken van de embryo die de meeste kans zou geven op een voldragen zwangerschap.
Hoewel de focus in eerste instantie gericht is op het vergroten van de slaagkans van ivf, is het natuurlijk zonneklaar dat het niet lang zal duren alvorens ivf-ouders het erfgoed ook op erfelijke afwijkingen zullen laten onderzoeken en zelfs op lichaamskenmerken. Onderzoeker Dagan Wells van de universiteit van Oxford, die aan de wieg heeft gestaan van de NGS-techiiek, waarschuwt wel dat deze techniek niet gebruikt moet worden voor niet-medische zaken, maar wie houdt de ouders tegen?
Eerder dit jaar hebben onderzoekers van, onder meer, de Erasmus-universiteit beschreven hoe ze op basis van DNA de kleur van de ogen en het haar hebben bepaald. Die groep is ook bezig op basis van DNA-onderzoek uitspraken te doen over gezichtskenmerken zoals geprononceerde jukbeenderen, een grote neus of teint. “Op het ogenblik kan met enige zekerheid alleen iets gezegd worden over de kleur van ogen en haar”, stelt Manfred Kayser van het Erasmus Medisch Centrum, die dat onderzoek leidt.
Hoewel de zaken rond het vooraf screenen van het DNA van de boreling-in-wording gevoelig liggen, denkt onderzoeker Wells toch niet dat van deze techniek gauw misbruik zal worden gemaakt. “Je hebt maar een beperkt aantal embryo’s ter beschikking. Hoe meer eisen je stelt hoe meer daarvan zullen afvallen. Ik denk niet dat er veel mensen zijn die dat hele moeizame en dure ivf-proces zullen doorlopen om dan voor iets triviaals te kiezen.”

Bron: New Scientist

De kwaliteitsbewaking in een cel enigszins ontrafeld

Cellen hebben een kwaliteitsbewakingsysteem, dat er voor zorgt dat er geen verkeerde eiwitten worden aangemaakt. Hoe dit systeem, naar een Engelse afkorting NMD genoemd, werkt was niet bekend. Nu is een onderzoeksgroep van de universiteit van Bern er in geslaagd een tipje van de sluier op te lichten.
Eiwitten worden in het ribosoom aangemaakt, waarbij het van een stukje DNA gekopieerde boodschapper-RNA (mRNA) als mal dient. Soms is dat m-RNA verkeerd van het DNA gekopieerd. Kwaliteitsbewaker NMD zorgt er voor dat er geen foute eiwitten worden gemaakt, maar ook dat de vele mutaties in genen niet onmiddellijk tot ziektes leidt zolang er nog maar een juiste kopie van het betreffende gen voorhanden is.
Voor NMD tot handelen overgaat moet er een veelheid aan factoren met dat foute mRNA wisselwerken. Hoe dat gebeurt was, dus, niet bekend. Een onderzoeksgroep rond Oliver Mühlemann heeft nu uitgevonden dat een eiwit (UPF1 van Up-Frameshift1) daarbij een belangrijke rol speelt. Dat eiwit wordt aan het mRNA gekoppeld. Terwijl dat eiwit in het ribosoom van het goede mRNA wordt afgeknipt, blijft het met het foute mRNA verbonden, waardoor allerlei enzymen actief worden die dat foute mRNA weer afbreken voordat het de verkeerde eiwit heeft ‘afgedrukt’. Of een mRNA-molecuul als goed of fout herkend wordt hangt af van de lengte. Het mechanisme reageert niet op een andere basevolgorde. Ook in dat geval bevat het mRNA de codering voor een verkeerd eiwit, dat dus wel aangemaakt wordt.
David Zünd van de Bernse onderzoeksgroep stelt dat nog lang niet alles duidelijk is: “De UPF1-moleculen die aan fout mRNA zijn gebonden, worden er in het ribosoom niet allemaal afgeknipt. We gaan er van uit dat die eiwitmoleculen die op het foute mRNA blijven zitten een signaal geven dat de coderende sequentie op het mRNA onderbroken is. Hoe de op het mRNA achterblijvende UPF1-moleculen het afbreken van het foute mRNA in werking zetten is nog onderwerp van verdere studie.”
Medeonderzoekster Simone Rufener heeft nog een raadsel van de kwaliteitsbewaker NMD kunnen oplossen. Uit ouder onderzoek zou zijn gebleken dat de aanmaak van het verkeerde mRNA maar kort na het ontstaan van het mRNA kon worden herkend. Dat op deze wijze toch foute eiwitten zouden worden geproduceerd met mogelijk fatale gevolgen voor het organisme. Rufener heeft echter aangetoond dat de kwaliteitscontrole voortdurend plaatsvindt. Volgens Rufener betekent dat dat NMD bij een- en meercellige organismen reeds vroeg in de evolutie is ontstaan.

Bron: Alphagalileo

Zoektocht minimaal genoom zinloos (?)

Wolluis leeft in symbiose met twee bacteriën
In de wolluis leeft een bacterie met het, tot nu toe bekend, kleinste genoom: 120 genen

Al lang zoeken synthetisch biologen naar organismen met een minimum aantal genen en naar nog minder: hoeveel genen zijn er nodig om een organisme in leven te houden? Recente studie van John McCutcheon van de universiteit van Minnesota naar het erfgoed van twee bacteriën die in symbiose leven met een insect (de wolluis) lijken te wijzen in de richting dat het zoeken naar hét minimale genoom zinloos is.

Lang is de bacterie Mycoplasma genetalium met zijn 475 genen (een mens heeft 20 000 voor eiwitten coderende genen en de bekende E. coli-bacterie heeft er zo’n 4100). De bij bacteriën genen te strippen die niet absoluut noodzakelijk zijn voor het voorbestaan van het organisme, bleek dat E. coli’s iets meer dan 300 ‘noodzakelijke’ genen hebben. Stripprocedures bij andere bacteriën uitgevoerd kwamen tot andere getallen, maar ook andere genen. Er was ruim 10 jaar geleden al een bacterie ontdekt die in symbiose leeft met een insect (een wolluis) die leeft van het sap van planten, met een nog kleiner genoom. De bacterie zet dat plantensap om in voor het insect bruikbare vormen als aminozuren en vitamines. Die bacterie, Tremblaya princeps, heeft maar 120 genen. In die bacterie bleek nog eens een andere bacterie te huizen, Moranella endobia, die weer 406 eiwitcoderende genen had. Die Tremblaya-bacterie kan niet zonder zijn gast, net zo min als de wolluis kan zonder zijn Tremblaya.

John McCutcheon van de universiteit van Montana is het erfgoed van beide bacteriën gaan analyseren, om erachter te komen wat die bacteriën aan elkaar hebben. Ze blijken het chemische werk voor het tot stand komen van aminozuren te verdelen, die vervolgens worden samengesteld tot eiwitten. Volgens McCutcheon is het insect in een lang verleden eens besmet geraakt met de Tremblaya. De bacterie hielp het insect bij de stofwisseling, terwijl ie zelf van voedsel én bescherming werd voorzien. Daardoor zou de bacterie de meeste genen zijn kwijtgeraakt. Toen de bacterie op zijn beurt werd ‘besmet’ door de Moranella raakte hij nog meer genen kwijt en kwam uit op die magere 120. Deze twee bacteriën zijn de enige die in de wolluis leven, maar de McCutcheon en zijn medewerkers troffen in het erfgoed van het insect genen aan die van oude bacteriële ‘gasten’ afkomstig moesten zijn. Dat betekent dat het insect genen van die bacteriën heeft ‘overgenomen’. Het zou zijn gebleken dat wel zes verschillende bacteriën erfgoed aan de wolluis hebben ‘afgestaan’. Deze studie zou aantonen dat de zoektocht naar hét minimale genoom zinloos is. De Tremblaya heeft een ‘minimaal genoom’ maar kan niet zonder zijn gastheer en mede-symbiont. Leven is geen geïsoleerd verschijnsel. Leven is afhankelijkheid en de levensvormen met, tot nu toe, het kleinste genoom kan alleen maar bestaan bij de gratie van andere (genomen).

Bron: New York Times