Wordt de mens een product zoals een auto?

Tot hersencellen omgeprogrammeerde huidcellen

Uit huidcellen ontwikkelde hersencellen (afb: UCL)

Ik ben ooit dit blog begonnen om de wereld, althans de lage landen, kond te doen van wat er zich afspeelt op het gebied van synthetische biologie, de door de mens bedachte en verwezenlijkte uitbreiding van het fenomeen dat leven is genoemd. Dan hebben we het over de aanpassing van het genoom van micro-organismen om dingen te doen of te produceren die ze in de natuur nooit doen of produceren, maar ook (en steeds vaker) op zaken gericht op de mens.
We praten dan over de pogingen erfelijke ziektes te voorkomen, over orgaansynthese en ook ontwerpbaby’s. Als we eenmaal weten hoe we dingen kunnen veranderen dan begint de natuur (het leven) steeds meer op gewone techniek te lijken. Als in een auto een onderdeel kapot of versleten is, kun je dat vervangen. Wordt de natuur, met inbegrip van de mens, een product en maakbaar? Philip Ball schreef er een boek over: How to Grow a Human (William Collins).

Iemand die een gehoorapparaat heeft of een bril draagt heeft niet het idee dat hijzij een stuk van zijn ‘menszijn’ kwijt is, maar hoe zit het als zijhij een donorhart krijgt of een nier? Niks aan de hand, stel ik me zo voor. Ik heb het idee dat voor veel mensen het brein het orgaan is dat het verschil maakt. Op het ogenblik kunnen onderzoekers al uit huidcellen hersencellen maken en die implanteren in de hersens. Als dat dat er maar een paar zijn, we schijnen miljarden hersencellen te hebben, dan zal nog niemand gaan piepen, maar wat als het er meer zijn dan een paar? Zijn we dan dan nog wie we waren?
De Franse schrijver en provocateur Houellebecq heeft in zijn boeken al gespeculeerd op een wereld van klonen, de mens die zichzelf tot in het oneindige kloont. Hoe ver zijn we af van de mens als product, als voortbrengsel van menselijk handelen? Als de mens in staat is de dood voor de gek te houden en de voortplanting buiten spel te zetten, wie of wat is dan de mens nog?

Farce

Ik heb het boek (nog) niet gelezen, ik verlaat me geheel op een recensie in Nature, maar Ball schijnt geen aanhanger te zijn van het idee dat wetenschap zuiver en objectief is. Wetenschap ontwikkelt zich in een kontekst.
Hij schijnt het verhaal netjes te behandelen van de ‘hokjes’ die Robert Hooke onder de microscoop ontdekte, die hem deden denken aan de cellen van monniken en die hij ook ‘cellen’ noemde, tot aan de ontdekking van Shinja Yamanaka om cellen te ‘herprogrammeren’ tot stamcellen en CRISPR (de genschaar).
Vervolgens gaat hij in op het ‘bezoedelen’ van de puurheid van de natuur, op het ontwikkelen van chimeren (dieren met mensenweefsels of -organen), op de reageerbuisbaby’s en het huidige zicht op ontwerpkinderen. Met het repareren van mutaties die leiden tot erfelijke ziektes zullen weinig mensen problemen hebben, maar hoe zit dat met het ‘verbeteren’ of het opfleuren (graag en jochie met blauwe ogen en rood haar die ongeveer 1, 85 m wordt en bovenmatig intelligent is) van het product mens?

Het boek, begrijp ik uit de recensie, moet stemmen tot nadenken en op het ogenblik wordt er weinig nagedacht over de kunstmatige biologie, over de natuur als een nieuw terrein van de techniek. Volgens Nature-recensente Natalie Kofler dwingt Ball ons ons af te vragen hoe en waarom. Toch vindt Kofler dat Ball vergeet de (volgens haar) belangrijkste vraag te stellen: Wie beslist er? Hoe dan ook, het boek moet gelezen worden (dunkt me).

Bron: Nature

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.