Moedermuizen geven DNA van hun bacteriën door

Antilichaam

Een antilichaam

Muizenmoeders geven hun ‘eigen’ bacteriën door aan hun kinderen, zo kwamen onderzoekers de universiteit van Washington in St.Louis (VS) tot ontdekking. Al eerder bleek uit onderzoek dat de ‘darmflora’ een grote invloed heeft op het functioneren van het hele ‘systeem’ (mens of ander zoogdier). Ook zouden de resultaten van dit onderzoek licht kunnen werpen op onverklaarbaarheden in genetisch onderzoek bij muizen (of proefdieren in het algemeen).
“Dit betekent dat we ons denken over de bijdragen van genen en omgeving aan onze ontwikkeling stevig moeten bijstellen”, zegt onderzoeker Herbert Virgin. Bacteriën worden vaak zien als ziekteverwekkers, maar op de keper beschouwd kunnen we niet zonder ze. Dat bacteriën een uiterst belangrijke rol spelen bij de spijsvertering is al langer bekend, maar pas de laatste tijd blijkt dat ze ook invloed uitoefenen op ons functioneren. Nu blijkt dus dat dat bacteriële DNA ook wordt doorgegeven van moedermuis op dochter- of zoonmuis. Hoe is mij niet echt duidelijk, maar waarschijnlijk ook de onderzoekers niet. De onderzoekers keken naar de relatie tussen de ‘eigen’ bacteriën van de muizen en de gevoeligheid voor darmschade. Muizen met een bepaalde bacteriebevolking zijn gevoelig voor de verwonding, die aangericht werd door een bijtende stof. Muizenmoeders blijken die bacteriën door te geven aan hun kroos en dus ook de (on)gevoeligheid voor de moedwillige verwonding.
Het onderzoeksresultaat zou een verklaring zijn voor de vreemde eigenschappen die in genetische studies met muizen in het verleden zijn geconstateerd, die plaatsgebonden leken. Daarbij werd verondersteld dat die werd veroorzaakt door bacteriële besmetting, maar de ‘vreemde’ eigenschappen werden ook doorgegeven aan het nageslacht. Mede-onderzoeker Thaddeus Stappenbeck had die situatie geconstateerd bij de bestudering van imflammatoire darmziektes als de ziekte van Crohn. Hij en zijn medeonderzoekers zagen dat ongeveer de helft van de muizen in de darmen een lage IgA-spiegel hadden, een antilichaam dat in verband staat met die ziektes. Dat antilichaam, onderdeel van het afweersysteem, wordt aangemaakt in die delen van het lichaam die het meest met de buitenwereld in aanraking komen zoals de ogen, neus, keel en darmen. Die lage spiegel zou verband houden met de aanwezigheid van de bacterie Sutterella. De aanwezigheid van die en andere bacteriën die werden gevonden in muizen met een lage IgA-spiegel zouden de verspreiding van dat fenomeen kunnen verklaren en ook dat muizenmoeders hun darmflora kennelijk doorgeven. Om dat te bewijzen werd de truc met het bijtende chemicalie uitgevoerd. Muizen met een lage IgA-spiegel hadden daar het meeste last van. Stappenbeck: “Als we muizen bestuderen moeten we degelijk rekening houden met de overerfde bacteriën en hun genen als we een bepaald verschijnsel proberen te ontrafelen”, zegt Stappenbeck. Een van de manieren is om de experimentele en controlegroep apart onder te brengen. Op de lange duur moet dit soort onderzoek meer inzicht geven in het steeds ingewikkelder model van hoe een mens genetisch in elkaar steekt en wat de invloed van al dat genetische materiaal is op de gezondheid.

Bron: Science Daily

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.